Voortgang meten, zonder apparatuur
Elk van de vijf onderdelen heeft een eigen maat die thuis te nemen is met een horloge, een meetlint en een stuk vloer. Een trainer neemt die maten in de eerste training en herhaalt ze elke vier tot zes weken.
| Onderdeel | Maat | Hoe | Wanneer opnieuw |
|---|---|---|---|
| Kracht | Gewicht en herhalingen | Bij drie vaste oefeningen bijhouden wat je doet; de trainer noteert het | Elke training |
| Conditie | Hersteltijd en rusthartslag | Na een minuut hard werken tellen hoe lang de adem nodig heeft; 's ochtends de pols | Om de vier weken |
| Mobiliteit | Diepte en reikwijdte | Hoe diep een kniebuiging gaat met hielen aan de grond; hoe ver de armen langs de muur komen | Om de zes weken |
| Balans | Seconden op één been | Ogen open en dicht; en opstaan van de grond zonder handen | Om de zes weken |
| Samenstelling | Omtrek en foto | Taille, heup en bovenbeen met een lint; foto op dezelfde plek | Om de vier weken |
Waarom niet vaker
Wie elke week meet, meet ruis. Vocht, slaap, het tijdstip van de dag en de maaltijd ervoor doen meer met een getal dan een week training. Vier tot zes weken is de kortste periode waarin een echte verandering boven die ruis uitkomt. Kracht is de uitzondering, omdat je die elke training toch al bijhoudt.
Wat je met de cijfers doet
Ze bepalen de verdeling. Als de kracht stijgt maar de balans niet, verschuift de aandacht. Als de conditie achterblijft, komen er intervallen bij. Een trainer gebruikt de metingen niet om te oordelen maar om het schema aan te passen; bij een van de aanbieders gebeurt dat in een app, bij de andere twee op papier of in het hoofd van de trainer.
