Mobiliteit
De bewegingsruimte van je gewrichten, en de kracht om die ruimte ook te gebruiken. Niet hetzelfde als lenigheid: iemand die in een spagaat kan zakken maar niet diep door de knieën kan met een recht bovenlijf, is lenig maar niet mobiel.
Waar het bij de meeste mensen zit
Drie plekken: de heupen, de bovenrug en de enkels. Alle drie worden korter en stijver door zitten, en alle drie bepalen hoe elke andere oefening gaat. Wie geen diepe kniebuiging kan maken, heeft vrijwel altijd een enkel- of heupprobleem, geen krachtprobleem. Wie niet iets boven het hoofd kan duwen zonder hol te trekken, heeft een stijve bovenrug.
Hoe het wordt getraind
Niet met lang stilstaand rekken, wat vooral prettig voelt maar weinig verandert. Wel met bewegingen die de volledige ruimte van een gewricht gebruiken onder lichte belasting: diepe kniebuigingen met steun, uitvalspassen, draaien van de bovenrug, heffen van de armen tegen een muur. Tien minuten aan het begin van elke training, en een korte versie op de andere dagen.

Wat je ervan merkt
Mobiliteit verandert langzaam en wordt daarom onderschat. Na zes weken zit je anders op een stoel, na drie maanden reik je zonder nadenken naar de bovenste plank en verdwijnt de ochtendstijfheid. Het is ook het onderdeel dat het meeste doet tegen de rug- en nekklachten waar veel mensen mee beginnen.
Zittend werk. Wie acht uur per dag zit heeft aan één training per week niet genoeg om de heupen open te houden. Een trainer geeft daarom twee of drie korte oefeningen mee voor tussen het werk door: opstaan, strekken, draaien. Twee minuten per uur doet meer dan een half uur rekken op zaterdag.