Conditie
Het vermogen van hart, longen en bloedsomloop om spieren van zuurstof te voorzien. In de praktijk: hoe lang je iets kunt volhouden en hoe snel je daarna weer op adem bent.
Twee soorten, thuis allebei mogelijk
Rustig en lang
Wandelen, fietsen, rustig joggen. Twintig tot zestig minuten in een tempo waarin je kunt praten. Dit is de basis en het deel dat je grotendeels zelf doet, op de dagen zonder trainer.
Kort en hard
Intervallen: twintig tot zestig seconden hard, dan rust, en dat een aantal keer. Traplopen, sprints in het park, kettlebellzwaaien, touwen. Dit is het deel dat een trainer begeleidt, omdat de dosering nauw luistert.
Beide hebben een plaats. Wie alleen rustig traint wordt nooit snel, wie alleen hard traint raakt uitgeput of geblesseerd. Een trainer bepaalt de verhouding en verschuift die door de weken heen.
Wat thuis werkt
Een trap is het meest onderschatte conditieapparaat in huis: twee minuten op en neer doet meer dan de meeste mensen denken. Buiten is een stuk stoep van vijftig meter genoeg voor intervallen. Een kettlebell en een springtouw dekken de rest. Apparaten zijn niet nodig; een loopband is thuis vooral een kapstok.

Hoe je meet of het werkt
Niet aan het zweet maar aan het herstel. Wie na een minuut hard werken binnen een minuut weer normaal ademt, is fitter dan wie er drie minuten over doet. Een trainer meet dat met een horloge of gewoon met kijken. Rusthartslag in de ochtend is de tweede maat: die daalt als de conditie stijgt.